ELIA(S)

Het Bijbelse verhaal van Elia staat op verschillende plekken in het Oude Testament:
1 Koningen, hoofdstuk 17 en volgende.
In 2 Koningen, hoofdstuk 2 wordt verteld hoe Elia sterft.

De situatie in Israël:
Achab is koning van het tienstammenrijk van Israël met hoofdstad Samaria. De economie bloeit, mede dankzij de handel met de Feniciërs. Achab is getrouwd met Izebel, die pracht en praal uitstraalt. Op haar aandringen, richten de Israëliërs in de hoofdstad een tempel in voor Baäl, de afgod van de Feniciërs. Achab gaat met zijn vrouw mee naar de Baälfeesten, maar zonder te breken met de dienst aan de voorvaderen van Israël. Zo denkt hij goden en mensen te vriend te kunnen houden.

In Mendelssohns oratorium Elias is het verhaal van Elia zo bewerkt:

Deel 1 (no 1-20):

No. 1 Op een dag verschijnt de profeet Elia, die zegt: “Zo waarachtig als de God van Israël leeft, er zal geen regen meer neerdalen op dit land, tenzij lk het zeg’.

Zoals dat gaat, luistert niemand naar deze woorden. Er valt geen regen, niet in het najaar en niet in de winter. Er komt hongersnood. Het volk vraagt zich vertwijfeld af waarom God niet helpt, want de oogst is vergaan en bidt tot God om het gebed te verhoren.
In no. 2 bidt het volk tot de Heer.

No. 3 Hofmaarschalk Obadja zegt: ”Verscheur uw harten en niet uw kleren. Elia roept het volk op zich te bekeren.” In no. 4 roept Obadja roept Gods woord in herinnering: “Als jullie mij met heel je hart zoeken, zul je mij vinden.”

Ook in no. 5 toont het volk haar angst en concludeert het dat er een vloek over haar gekomen is die haar achtervolgt en die haar zal doden. God heeft immers gezegd (in de tien geboden): “Want ik ben een na-ijverig God, die geen andere goden naast me duldt. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde en vierde geslacht wanneer ze mij haten. Maar ik bewijs hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht als ze mij liefhebben en zich aan mijn geboden houden.”

No 6 Intussen heeft Elia zich, op aandringen van God, verstopt in het dal van de Kerit. Na zijn profeteren is hij zijn leven niet meer zeker. Hij vindt water in de beek en de raven komen hem elke dag voedsel brengen.

No 7 slot: Maar ook de beek droogt op. Dus zegt God: “Ga naar Sarefat en blijf daar een poosje wonen”. Als Elia daar aankomt, ziet hij een vrouw. Hij vraagt haar eten en drinken. Ze heeft, net als ieder ander, weinig eten maar nog net genoeg meel en olie voor een laatste koek voor haar zoon en haar zelf, daarna zullen ze van honger sterven. Dan gebeurt een wonder: Elia zegt dat ze toch een koek voor hem moet maken maar dat het meel en de olie niet op zullen raken. En zo gebeurt het dat het meel in de pot niet opraakt en de olie in de kruik niet minder wordt. Zoals God gezegd had. Zo blijft het, zolang Elia bij haar woont.

No 8 Als Elia op een middag thuis komt, ziet hij de vrouw vol verdriet zitten; het lichaam van haar zoon beweegt niet meer. Voordat Elia iets kan zeggen, valt de moeder uit: “Was nooit in ons huis gekomen! Waarom moest u Gods aandacht op ons vestigen?”. “Geef me je zoon”, zegt Elia. Hij neemt het kind in zijn armen, gaat er mee naar boven en bidt tot God om het leven terug te brengen in het kind. God verhoort zijn gebed.

No 9 Het koor zingt: “Gelukkig diegene die God eert en zijn weg volgt.”

No. 10 Na ruim twee jaar droogte geeft God Elia opdracht naar Achab te gaan om te zeggen dat het weer zal gaan regenen. Zodra Achab Elia ziet, roept hij: “Ben je daar eindelijk, ongeluksbrenger!”. Maar Elia zegt: “lk  ben het niet die Israël in het ongeluk stort, maar u, want u loopt afgoden na en u verraadt de ware God. We zullen eens zien wie de ware god is.  lk ben de laatste profeet van Israëls God die nog in leven is na al uw vervolgingen. En daar staan 450 profeten van Baäl. Hier zijn twee stieren. Uw profeten maken een altaar en leggen daar een geslachte stier op. Ik maak ook een altaar en daarop leg ik de andere stier. De god die zijn eigen offer door vuur van de hemel ontsteekt, die zal de ware God zijn.”

No. 11 De Baälpriesters maken hun offer klaar en bidden tot Baäl dat hij vuur uit de hemel laat neerdalen.

No. 12 Er gebeurt niets. Elia begint ze te bespotten. “Jullie moeten harder roepen, misschien zit hij te dromen, is hij te druk, is hij op reis of slaapt hij.”

No 13 De Baäl priesters gillen uit alle macht, ze snijden hun huid open met messen en dolken, maar er gebeurt niets. Uren gaan ze door.
Dan is het genoeg voor Elia. Hij roept het volk bij elkaar (slotzin no 13) rond een oud, vervallen altaar van God. Dan pakt hij twaalf stenen (de twaalf stammen van het Israël van Jacob) en bouwt daarmee een altaar. Hij laat  een grote geul graven rond het altaar, stapelt het hout op, legt de geslachte stier erop, laat alles ruimschoots met water overgieten en zegt dan (no 14): “Heer God van Abraham, Isaak en Jacob, laat zien dat u de enige God bent in Israël en dat ik uw dienaar ben die dit alles in opdracht van u doet”. En dan komt een vuur uit de hemel en verteert het offer en het hout. Het volk werpt zich ter aarde: “God is de enige, Hij alleen!” (no 16).

Elia geeft opdracht alle Baälprofeten op te sluiten en te doden. Er ontsnapt er niet één. Elia smeekt God om water en het volk smeekt God om Elia te helpen (no 19). Dan klimt Elia een berg op, zijn knecht vergezelt hem. Elia stuurt hem naar de top van de berg om te zien of er al een teken van regen te zien is. Er is niets te zien. Tot zeven maal toe moet de knecht  gaan kijken, pas dan komt hij terug en zegt: “Aan de horizon zag ik een klein wolkje, niet groter dan een handpalm, uit de zee opkomen”. Even later begint het te stortregenen.

Het volk dankt God voor het water (no 20).

 

Deel 2 (no 21-42):

In no 21 zegt God dat de mens vertrouwen in Hem moet hebben, dat de mens niet bang moet zijn en dat Hij de mens, die op hem vertrouwt, zal troosten en sterken. Het volk antwoordt hierop met dezelfde woorden (no 22). Dan gaat Elia naar Achab en verwijt hem al het slechte dat hij gedaan heeft (no 23). Koningin Izebel mengt zich in de discussie en vraagt het volk: “Hebben jullie gehoord wat die man allemaal voorspelt?” Het volk antwoordt: “Wij hebben het gehoord.” Izebel hitst het volk tegen Elia op: “Dood hem. Hij heeft alleen maar ellende over ons uitgestort”. Het volk reageert hierop (no 24): “Wat heeft die man toch te profeteren in de naam van de Heer! Hij moet sterven, dus grijp hem en dood hem!” Elia echter wordt gewaarschuwd door de hofmaarschalk van Achab, Obadja, een man die zich aan de wetten van de God van Israël houdt (no 25). Ontzet over zoveel verharding en uitgeput na zijn triomf wil Elia niet langer leven, en hij vlucht naar het zuiden, met zijn knecht.

Als hij in Berseba aankomt, laat hij zijn knecht achter om alleen verder te trekken, de woestijn in. Na een dag lopen, gaat hij onder een struik liggen en wenst te sterven: “Het is genoeg! “(no 26). Maar een engel maakt hem wakker, geeft hem tot twee maal toe te eten (no 27, 28, 29), zodat hij weer sterk genoeg is om verder te trekken (no 30). Na 40 dagen en nachten komt hij eindelijk aan bij de berg waar God zich ooit eerder aan zijn volk openbaarde: de berg Sinaï. Daar gaat hij een grot binnen en overnacht er. In no 32 belooft het koor dat elke doorzetter zalig zal worden. In de nacht smeekt Elia God om bij hem te zijn. Dan hoort hij de stem van de engel: “Kom dan de grot uit, want God zal voor je verschijnen.” (no 33). Elia gaat aan de ingang van de grot staan en wacht. (no 34) Daar trekt een gierende storm aan hem voorbij. Maar God is niet in de storm. Na de storm komt er een aardbeving, de berg schudt, de rotsen breken, maar ook hierin is God niet. Na de aardbeving komt het vuur, maar God is niet in het vuur. Dan komt het suizen van een zachte stilte. In die stilte nadert God. No 35 is een loflied op God. God zegt tegen Elia (no 36): “Keer terug naar je land, want er zijn er nog 7000 over die hun knieën niet buigen voor Baäl”.

Zo gaat Elia terug en hij blijft het woord van God verkondigen tot het moment (no 36 maat 29: Und da der Herr) dat God hem bij zich wil halen: God stuurt een wagen van vuur, getrokken door paarden van vuur en Elia stijgt in een stormwind op naar de hemel.

De verheerlijking van God besluit het verhaal (no 42 slotkoor).

Bronnen:
De Bijbel, “God en de mensen” van Prof. Van Selms en “Elias” van Mendelssohn.

 

Beluister de Elias bijvoorbeeld op :  https://www.youtube.com/watch?v=_35Io8O7uAk

Start typing and press Enter to search